les 6
  
MEETINSTRUMENTEN.

In deze les beperken wij ons tot het bespreken van de meest elementaire meetattributen die geschikt zijn voor de amateur wijnmaker, te weten:
I.    bepaling van de dichtheid van de most (SG):
a. de hydrometer;
b. de sacrometer;
c. de refractometer;
II.    bepaling van de PH-waarde/zuurgehalte van de most/wijn:
a. PH-papier/-strips;
b. de acidometer;

bepaling van het alcoholgehalte:
a. de vinometer;
b. de ebullioscoop;
c. de wijnweger;
IV.    bepaling van het restsuikergehalte:
de wijnweger;
V.    bepaling van het sulfietgehalte.

I.    Bepaling van de dichtheid van de most.
  
a.    DE HYDROMETER.
De hydrometer wordt ook wel Oechsleweger genoemd.
Naarmate een vloeistof lichter is (bijv. minder suiker bevat) zakt de hydrometer dieper in het vocht. In zware stoffen zakt de hydrometer slechts gedeeltelijk. Met andere woorden: zit er geen suiker in de most dan zakt de hydrometer diep in de most. Is er veel suiker in de most aanwezig dan blijft de hydrometer een stuk boven de most uitsteken. De hydrometer bepaalt dus het soortelijk gewicht (= SG) van de most en/of wijn.

Beschrijving.
De hydrometer kan van glas of plastic zijn. Glas is breekbaar, maar over het algemeen weegt deze meter de most/wijn nauwkeuriger.
De hydrometer dient, indien mogelijk, geijkt te zijn. Daarbij dient opgemerkt te worden dat korrelijking nauwkeurig is dan teerijking.
De meetsteel van de hydrometer is meestal 25 tot 35 cm lang. Hoe langer de steel des te meer staan de aangegeven getallen uit elkaar en des te nauwkeuriger kan men de meting verrichten.
De steel kan drie meetschalen bevatten:
        -    het soortelijk gewicht (meetbereik meestal van 0.990 tot 1.180);
        -    de hoeveelheid suiker die bij een bepaalde stand van de hydrometer in de most aanwezig is;
        -    het potentieel alcoholgehalte (d.w.z. het alcoholgehalte dat verkregen wordt indien alle aanwezige suikers in de most volledig zijn vergist).
Men kan een hydrometer met of zonder thermostaat aanschaffen. De eerste verhoogt de nauwkeurigheid van de meting, bovendien is de hydrometer geijkt op de stand van de thermometer. Op de hydrometer staat aangegeven wat de geijkte meettemperatuur is, dit is meestal 15EC of 20EC.

Waarvoor gebruikt men de hydrometer?
Men kan de hydrometer gebruiken voordat het gistingsproces begint: nagaan hoeveel suiker in de most aanwezig is alvorens men suiker bijvoegt. Op deze manier kan men zelf het potentieel alcoholgehalte bepalen. Maar men kan ook het SG meten na het gistingsproces om te weten of de wijn volledig uitgegist is, met andere woorden of er geen groot restsuikergehalte in de wijn aanwezig is.


De meting.
Proefvoorbereiding.
Indien men met vruchtenpulp werkt dient men de massa goed te roeren alvorens men het meetmonster uit de massa haalt. (Roert men de massa niet goed door dan kan dit een vertekend beeld geven van het SG van de most.) Men zeeft dan de pulp, zodat alleen het sap in het maatglas loopt.
Werkt men met vruchtesap dan kan men na goed roeren het maatglas vullen.
Werkt men met koolzuurhoudende wijn/sap dan dient men het sap eerst te filtreren, want koolzuurbelletjes geven een verkeerde meting.

ALLE TE GEBRUIKEN MEETINSTRUMENTEN NATUURLIJK EERST VOLLEDIG STERIEL MAKEN!

De meting:
        -    een 250 ml maatglas, waarin de hydrometer vrij rond kan zweven, tot iets onder de rand vullen met de most;
        -    de hydrometer langzaam, zonder de zijwanden aan te raken en zonder kaatsen, in de proefoplossing laten zakken tot de hydrometer "vrij" zwemt (het uitstekende deel van de steel moet droog blijven!);
        -    eventuele luchtbelletjes door op en neer gaande bewegingen van de hydrometer laten verdwijnen;
        -    na 1 tot 2 minuten de dichtheid en indien mogelijk de temperatuur aflezen. Bij het aflezen van de dichtheid dient men de juiste stand te lezen op ooghoogte;
        -    na het aflezen van de hydrometer deze goed met water afspoelen en met schone theedoek droogwrijven.

De afgelezen stand kan men op twee manieren verwerken:
a. opzoeken in een tabel;
b. een berekening maken.

Werken met een tabel.
Dit is de eenvoudigste methode. In de tabel wordt namelijk aangegeven hoeveel suiker in een bepaalde hoeveelheid sap zit bij een bepaald soortelijk gewicht. Men kan vanuit het suikergehalte aflezen hoe hoog het alcoholgehalte zal worden indien alle suiker vergist.

SG
potentieel alcohol-gehalte
hoeveelheid suiker per liter in grammen
SG
potentieel alcohol-gehalte
hoeveelheid suiker per liter in grammen
1.010
0,9
12,5
1.075
9,9
195
1.015
1,6
25
1.080
10,6
208
1.020
2,3
44
1.085
11,3
225
1.025
3,0
57
1.090
12,0
240
1.030
3,7
76
1.095
12,7
252
1.035
4,4
 95
1.100
13,4
265
1.040
5,1
107
1.105
14,1
277
1.045
5,8
120
1.110
14,9
290
1.050
6,5
132
1.115
15,6
302,5
1.055
7,2
145
1.120
16,3
315
1.060
7,8
157,5
1.125
17,0
327,5
1.065
8,6
170
1.130
17,7
340
1.070
9,2
182,5
1.135
18,4
352



Men kan uit de tabel dan ook aflezen hoeveel suiker men nog aan de
most toe dient te voegen om tot een bepaald alcoholgehalte te komen.

Voorbeeld.
We maken 10 liter wijn.
Bij eerste meting blijkt dat het SG 1.040 is. Volgens bovenstaande
tabel betekent dat 76,4 gram suiker per liter. Bij optimale vergisting
geeft deze hoeveelheid suiker 4,5% alcohol.
We willen echter graag een wijn produceren van 12% alcohol. Volgens de
tabel zou er dan per liter 204,1 gram suiker aanwezig moeten zijn. Met
een eenvoudige som kunnen we nu berekenen hoeveel suiker we toe moeten
voegen om dat gewenste alcoholgehalte te kunnen bereiken, namelijk:
 204,1 gram moet er per liter aanwezig zijn
  76,4 gram suiker is per liter aanwezig
 127,7 gram suiker per liter toevoegen
  10   het aantal liters wijn dat we willen maken
1.277   gram suiker dient nog toegevoegd te worden.
=======

We kunnen deze hoeveelheid suiker goed door de most mengen en nadien
nog eenmaal met de hydrometer het SG bepalen, ter correctie.
Geheel volgens bovenstaande tabel zal het SG nu 1.088 moeten zijn.

Werken zonder tabel met behulp van een berekening.
Het suikergehalte berekent men door de volgende formule te hanteren:
D x 2 + 10% = gram suiker per liter
(D = hydrometerstand - 1.000).

Voorbeeld:
de hydrometerstand is 1.050
D = 1.050 - 1.000 = 50
50 x 2 = 100 + 10% = 100 + 10 = 110 gram suiker per liter;

de hydrometerstand is 1.078
D = 1.078 - 1.000 = 78
78 x 2 = 156 + 10% = 156 + 15,6 = 171,6 gram per liter.

Met de volgende formule kan men eveneens het potentieel alcoholgehalte
bepalen:
D + 0,5    (D = hydrometerstand - 1.000)
8

We nemen wederom stand 1.050 en 1.078 als voorbeeld:

1.050 .....50 + 0,5 = 6,25 + 0,5 = 6,75%
            8

1.078 .....78 + 0,5 = 9,75 + 0,5 = 10,25%
            8

Algemene opmerking.
1.    De meeste hydrometers zijn geijkt voor meting bij een temperatuur van 15EC. Indien de most warmer of kouder is dan 15EC dan dient men een temperatuurcorrectie toe te passen wil men een juist beeld krijgen van het SG.
-    Te hoge temperatuur.
SG = 1.080, mosttemperatuur 22EC.
Formule X - Y x 0,2 = SG dat erbij geteld dient te worden.

X = huidige temperatuur, Y = wenselijke temperatuur.

Dus: 22 - 15 = 7 x 0,2 = 1,4.  
SG = 1.080 + 1,4 = 1.081,4.

-    Te lage temperatuur.
SG = 1.080, mosttemperatuur 9EC.
Formule X - Y x 0,2 = SG dat van de gemeten stand afgetrokken
dient te worden.

Dus: 9 - 15 = -6 x 0,2 = -1,2.  
SG = 1.080 - 1,2 = 1.078,8.

2.    Om u enig idee te geven van het gemiddelde suikergehalte van sommige vruchten, volgt hieronder een kleine tabel. Het zijn slechts gemiddelde cijfers, want het suikergehalte verschilt van jaar tot jaar en is afhankelijk van rijpheidsgraad, soort, e.d.

Onverdund sap:              Gram suiker per liter:
bes, rood    60
zwart    75
wit    85
kruisbes    70
aardbei    40
bosbes    50
kersen    95

3.    Definitieve alcoholbepaling m.b.v. de hydrometer.
Indien u het begin-SG weet en het eind-SG, kunt u zelf het alcoholgehalte berekenen.
Voorbeeld:
begin-SG 1.080
eind-SG  1.000 -  80
80 : 7,36 = 10,8% volume alcohol.

Kort samengevat.
U kunt de hydrometer als nuttig instrument gebruiken om:
-    het suikergehalte van de most te bepalen om te weten hoeveel suiker er aan de most  toegevoegd dient te worden;
- ter bepaling van het potentieel alcoholgehalte, indien alle suiker vergist;
-    ter bepaling van het verloop van het gistingsproces. Indien namelijk de stand van de hydrometer gedurende een week niet veranderd is, betekent dit dat er geen suiker omgezet is in alcohol. Dus er kan iets aan de hand zijn met uw most;
-    ter bepaling van het einde van het gistingsproces. Indien u een droge wijn wenst dient het eind-SG 0.990 te zijn, voor een medium wijn 1.000 tot 1.010 en voor een zoete wijn 1.010 tot 1.030.
  
b.    DE SACROMETER.
Een sacrometer is eigenlijk een vereenvoudigde hydrometer voor de amateur wijnmaker die niet wil rekenen en louter alleen maar rechtstreeks iets af wil lezen.

De lengte van de steel van de sacrometer geeft een SG aan tussen 1.000 en 1.130 bereik en is ongeveer 99 mm lang.
Op de steel staan niet alleen cijfers, doch de steel is eveneens ingedeeld in gekleurde vlakken.
Het groene vlak wil zeggen: er is voldoende suiker in de most aanwezig om de most aan het gisten te brengen.
Het witte vlak geeft de duur van het gistingsproces aan.
Het blauwe vlak geeft aan einde gisting, indien met een zoete wijn wenst.
Het rode vlak geeft aan einde gisting, indien men een medium wijn wenst.
Het gele vlak geeft aan einde gisting, indien men een droge wijn wenst.

Kortom een handig instrument voor de beginnend amateur.
  
c.    De refractometer.
Dit is eigenlijk een professioneel en kostbaar apparaat dat veelal gebruikt wordt door de grote wijnboeren ter bepaling van het SG.
De bepaling van het SG gebeurt in dit instrument door lichtbreking door vloeistoffen. De schaal van de refractometer geeft meteen de juiste stand van het SG weer.
Van most die reeds gegist heeft, kan het SG niet meer bepaald worden.

Proefvoorbereiding.
De te onderzoeken most zal, indien mogelijk, helder dienen te zijn en het monster dient genomen te zijn uit een goed doorgeroerde most om een exact beeld te krijgen.
-    De refractometer werkt als een soort verrekijker, in die zin dat men de afleesscherpte duidelijk dient af te stellen op de individuele behoeften.
-    Deksel openklappen, 2 tot 3 druppels gedestilleerd water van 20EC op meetprisma leggen en deksel dichtklappen.
-    Lichtdoorlating peilen aan de hand van licht/donker nulpunt. Eventueel correctie toepassen.
-    Deksel openklappen, meetprisma zorgvuldig reinigen.
-    2 Tot 3 druppels most op meetprisma leggen, deksel dichtklappen.
-    Lichtdoorlating peilen en stand aflezen.
Na iedere meting prisma goed reinigen.

De onderzoektemperatuur van de refractometer is 20EC. Om een exacte meting te krijgen dient zowel het apparaat als de most deze temperatuur te hebben. Eventueel een temperatuurcorrectie toepassen:
-    boven 20EC per 1EC 0,3 Oechslegraad bijtellen;
-    beneden 20EC per 1EC 0,3 Oechslegraad aftrekken.
Nadat het SG bekend is kunt u eventueel weer gebruik maken van de tabel of de berekening zoals aangegeven bij de hydrometer.

Opmerking.
De refractometer werkt zeer nauwkeurig. Om een representatief gemiddelde waarde te krijgen zijn twee metingen reeds voldoende. Alleen is het jammer dat de refractometer van aanschaf nogal kostbaar is, waardoor de amateur wijnmaker overwegend is aangewezen op het gebruik van een hydrometer.
II.    Bepaling van de PH-waarde/zuurgehalte van de most/wijn.
De zuurgraad wordt gemeten gedurende twee momenten:
a.    voordat het gistingsproces begint, nadat de suiker is toegevoegd;
b.    voor het bottelen.
Dit meten van de zuurheid van de most of wijn heet het meten van de PH. Met een bepaald hulpmiddel kan men meten hoe groot de PH of de totale zuurgraad is.
Zowel met het PH-papier als met de zuurmeter (titratiemethode) bepaalt men het totaalzuur van de most c.q. de wijn.
Met andere woorden: men bepaalt niet hoeveel wijnsteenzuur, melkzuur e.d. afzonderlijk in de most aanwezig is, maar wel de som van de aanwezige zuren.
  
a.    PH-papier/-strips.
De eenvoudigste meting verricht men met PH-papier/-strips.

Proefvoorbereiding.
Men meet het zuurgehalte nadat men het gewenste SG van de most verkregen heeft, dus nadat de suiker is toegevoegd.

Meting.
Men stopt een stukje PH-papier of een PH-strip in de most of wijn. Het papier of het uiteinde van de strip zal verkleuren. De ontstane kleur vergelijkt men met een kleurindicatieschaal, waarop men meteen de PH-waarde af kan lezen.
Tijdens het begin van de gisting dient de PH-waarde tussen de 2,8 en 3,5 te zijn; gedurende het tweede moment van meting (na gisting) kan de zuurgraad iets lager zijn, namelijk een PH-waarde hebben van 3,3 tot 3,8.
Dat betekent dat u bij de aanschaf van PH-papier of -strips steeds dient te letten op het meetbereik, dat zoals hierboven aangegeven tussen de PH-waarde 2,5 tot 4,0 dient te liggen. Een groter PH-bereik is voor de wijnbereiding niet nodig.
Is de PH-waarde van een most of wijn lager dan 2,5 dan betekent dat dat de wijn te zuur is en dus ontzuurt dient te worden (zie pagina ontzuring).
Ligt de PH-waarde boven de 3,8 dan betekent dat dat de most te basisch is (te zwak van zuur) en dat u de most dient aan te zuren met wijnsteenzuur, citroenzuur of melkzuur.
Tijdens de aflezing van de PH-waarde dient men er rekening mee te houden dat er een foutieve aflezing kan plaatsvinden van 0,1 tot 0,2 eenheden.
De PH-strips zijn nauwkeuriger dan het PH-papier.
  
b.    De acidometer.
Wil men zeer exact het zuurgehalte bepalen dan maakt men gebruik van een acidometer.
Een acidometer bestaat uit een maatcylinder met nauwkeurige maatindeling en een duidelijke nullijn.
Bij de acidometer dient men een flesje blauwloog te gebruiken en eventueel lakmoespapier als controlemiddel.

Meting.
De acidometer gebruikt men om het totale zuurgehalte (uitgedrukt als wijnsteenzuur) van een most of wijn te meten. De bepaling van het zuurgehalte berust op het principe: de totale hoeveelheid zuur is gelijk aan de totale hoeveelheid blauwloog die men heeft toegevoegd om het zuur te neutraliseren.

Men vult de maatcylinder tot aan de "nullijn" met de te meten most of wijn. Nu voegt men druppelsgewijs blauwloog toe, terwijl men regelmatig de maatcylinder krachtig schud. De most/wijn zal langzaam van kleur veranderen totdat de vloeistof donkergroen geworden is. Nu kijkt u op de maatcylinder hoeveel blauwloog u hebt toegevoegd, het aantal ml is namelijk gelijk aan het aantal gram per liter. De ideale zuurgraad betekent in dit geval 8 tot 10 gram per liter.
Bij de acidometer wordt lakmoespapier geleverd dat men als controlemiddel kan gebruiken. Wordt het papiertje rood dan heeft men te weinig loog toegevoegd; wordt het papier blauw dan heeft men teveel loog toegevoegd; verkleurt het papier niet dan heeft men het neutrale punt bereikt.

Als u de zuurgraad gemeten hebt zijn er drie mogelijkheden:
a. de zuurgraad is correct: u kunt zo starten met het gistingsproces
                           of het bottelen;
b. de zuurgraad is te laag: u dient het zuurgehalte te verhogen;
c. de zuurgraad is te hoog: u dient het zuurgehalte te reduceren.

Ad b.
Zuurgraadcorrectie: het verhogen van het zuurgehalte.
Met behulp van de acidometer.
Men kan het zuurgehalte van de most verhogen met citroenzuur, wijnsteenzuur of melkzuur. Gemiddeld dient een most 8 tot 10 gram zuur per liter te bevatten.
Stel dat er maar 4 gram zuur per liter in de most aanwezig is. Dat betekent dat we per liter 4 tot 6 gram zuur moeten toevoegen.
Wijnsteenzuur en citroenzuur zijn gemakkelijk te wegen indien u de kristalvorm hanteert. Voor melkzuur is het belangrijk te weten dat melkzuur 80% een gewicht heeft van 1,25 gram per gram zuur. In bovenstaand voorbeeld zou dit betekenen dat u 5 gram (= 4 x 1,25) tot 7,5 gram (= 6 x 1,25) toevoegt om het juiste zuurgehalte te krijgen.
Met behulp van PH-papier.
Druppelsgewijs in maatglas, daarna vermenigvuldigen met hoeveelheid wijn.

Ad c.
Zuurgraadcorrectie: verlagen van het zuurgehalte.
De meest eenvoudige methode is de most te verdunnen met water, waardoor ook de zuurgraad verlaagd wordt. Bent u echter bang dat de most te waterig wordt, waardoor uw wijn straks body en bouquet mist, dan kunt u de zuurgraad verlagen door meer suiker toe te voegen. Indien dat laatste ook niet mogelijk is kunt u werken met een zuurreductiemiddel dat druppelsgewijs in een kleine hoeveelheid wordt toegevoegd om zodoende de juiste dosering te achterhalen voor de totale hoeveelheid most/wijn.

III.    Bepaling van het alcoholgehalte.
  
a.    De vinometer.
De vinometer is een eenvoudig instrumentje om bij benadering het alcoholgehalte in volumeprocenten te meten.
Dit instrument bestaat uit een glaslichaam met vultrechter en een doorlopend capillair buisje.
Op dit capillair buisje is een graduering van 0 tot 25 aangebracht. De meetnauwkeurigheid is afhankelijk van de zuiverheid van het buisje, het restsuikergehalte van de te meten wijn, de temperatuur, enz. (zoete wijnen geven nogal makkelijk een foutieve meting en moeten bijgevolg verdund worden).

Werkwijze.
Men giet in het trechtertje een weinig van de te meten wijn; de vloeistofkolom mag geenszins onderbroken zijn door luchtbelletjes of vuil! Zodra de eerste druppels uit het spitse uiteinde verschijnen, sluit men deze met een vinger af. Draai vervolgens de meter om en zet hem met de trechtermond op een tafel. Haal uw vinger van de spits; de vloeistofkolom in het capillair buisje zal snel zakken en bij stilstand het alcoholgehalte aangeven in volumeprocenten.

Zoals reeds eerder vermeld dienen zoete wijnen en wijnen met een hoog alcoholgehalte steeds verdund te worden.
Voorbeeld.
10 Ml wijn samen met 10 ml water vermengen, meting verrichten.
Het verkregen getal, bijv. 6, vermenigvuldigen met 2 = 12. Dit getal is dan het volume alcoholgehalte.

Omrekenen van volumeprocenten naar gewichtsprocenten:
1 volumeprocent = 0,8 gewichtsprocent = 8 gram alcohol per liter.
Dus een wijn van 15% (volumeprocent) bevat 120 gram alcohol per liter.

DE VINOMETER DIENT NA GEBRUIK STEEDS GOED GEREINIGD TE WORDEN!!!
Dit kan gebeuren door het apparaatje goed schoon te spoelen met water.
  
b.    De ebullioskoop.
Dit apparaat bevat een spiritusbrander, een kookvat, een koelvat en een kwikmeter, waarop het alcoholgehalte weergegeven wordt.
De alcoholbepaling berust op het feit dat met het stijgen van het alcoholgehalte het kookpunt van de wijn bereikt wordt. Men dient met de luchtdruk rekening te houden, omdat het kookpunt afhankelijk is van de luchtdruk.

Werkwijze.
Men vult het conische watervat met schoon water, waarna men de kwikmeter op het watervat schroeft. Nu wordt het water zo lang verhit totdat de kwikstand definitief stil blijft staan. Dit is de nulstand van de meetschaal; men geeft dit aan d.m.v. een schuifbare ring.
Na het uit elkaar schroeven van het apparaat wordt het resterende water weggegooid en het kookvat wordt nu gevuld met wijn. Men schroeft wederom de meetschaal op het kookvat en daar bovenop de koeler gevuld met water. Men verhit nu het kookvat zolang tot het kwik in de meter stil blijft staan. Men kan nu direct het alcoholgehalte (= volumeprocenten) aflezen.

Indien wenselijk kan men direct een andere wijn in het kookvat doen om het alcoholgehalte te bepalen, doch het water in de koeler dient steeds vernieuwd te worden.

Opmerking.
Zodra het apparaat verplaatst wordt of de barometerstand veranderd, dient men opnieuw het nulpunt van het apparaat te bepalen om tot een nauwkeurige uitslag van het alcoholpercentage te komen.
  
c.    De wijnweger.
De wijnweger kan op om het even welk moment aangewend worden om het alcoholgehalte en het restsuikergehalte precies te meten. (Zowel tijdens als na de gisting!!)
Deze meter vertelt u tot op 2 decimalen nauwkeurig het alcoholgehalte (bijv. 10,44%).

Het basisprincipe is eenvoudig: het berust op 2 metingen. De eerste meting van de wijn als dusdanig (met alcohol), de tweede meting zonder alcohol.
Om zo nauwkeurig mogelijk te werken is een thermometer ingebouwd; uw meting dient te gebeuren bij 20EC.

Werkwijze.
Vul een maatglas zeer precies tot 200 cc (ml) met de te meten wijn. De eerste meting wordt uitgevoerd net zoals bij een hydrometer; de meting dient wel bij 20EC te gebeuren. We meten bijv. - 7E Oechsle en noteren dit.
Nu wordt de inhoud van het maatglas (200 cc) overgegoten in een vuurvast kommetje of pyrex glaswerk (of erlenmeyer). Dit wordt op een vuur gezet en aan de kook gebracht tot de helft van de vloeistof verdampt is. We hebben nu verkregen dat alle aanwezige (onbekende) alcohol verdwenen is.
De inhoud van het kommetje laten we afkoelen, gieten het terug in het maatglas en vullen het aan met gedestilleerd water tot precies 200 cc. We voeren nu meting 2 uit, wederom bij 20EC, en noteren dit (bijv. + 8,5E Oechsle).
Resultaat:
meting 1: - 7E   Oechsle
meting 2: + 8,5E Oechsle
verschil   15,5E Oechsle
Door middel van tabellen (bijgeleverd bij de meter) kan men aan de hand van het laatst verkregen getal (verschil) de alcoholgraad precies opzoeken (in dit geval 11,73%).

Aan de hand van meting 2 wordt het restsuikergehalte berekend (in ons geval was meting 2 + 8,5E Oechsle). Volgens de 2e tabel (bijgeleverd bij de meter) komt dit getal overeen met 21,9 gr./liter.
Door zijn klein bereik (dus zeer grote precisie) is deze meter uitermate geschikt ter bepaling van het restsuikergehalte op het einde van de gisting.

Daar dit toch een kostbare meter is, wordt de grootste voorzichtigheid aangeraden.

Alcoholcorrectie.
Soms kan het gebeuren dat aan het einde van het proces uw wijn te weinig alcohol bezit. In het algemeen dient een tafelwijn plm. 10 tot 11% alcohol te bevatten; een volle wijn 12 tot 14% en een dessertwijn 13 tot 15% alcohol.
U hebt echter een tafelwijn met slechts 7% alcohol gekregen.
U kunt deze wijn gaan versterken met een andere wijn of met alcohol of whisky, brandewijn, wodka, etc. Met behulp van het vierkant van Paerson kunt u exact bepalen hoeveel u van een drank nodig hebt om tot het gewenste alcoholgehalte te komen van uw wijn.

A     D    A = alcoholgehalte van de toe te voegen vloeistof;
  C       B = alcoholgehalte van de wijn zoals deze nu is;
B     E    C = alcoholgehalte dat men wenst;
          D = het verschil tussen B en C;
          E = het verschil tussen C en A.

De verhouding D staat tot E is de verhouding alcohol staat tot wijn om het gewenste percentage te krijgen.
Terug naar ons voorbeeld.

We hebben een wijn van 7% (= B).
We willen deze versterken met brandewijn van 35% (= A).
We wensen 12% alcohol (= C).
D = B + C = 7 - 12 = -5.
E = C - A = 12 - 35 = -23.
Bij 23 liter wijn zou u 5 liter brandewijn dienen te voegen om het gewenste resultaat te krijgen.

We maken dezelfde berekening nog eens, maar nu gebruiken we alcohol van 96% om de wijn aan te sterken.
D = 7 - 12 = -5.
E = 12 - 96 = 84.
Bij 84 liter wijn zou u 5 liter alcohol van 96% dienen te voegen om het gewenste alcoholpercentage te krijgen.

IV.    Bepaling van het restsuikergehalte.

De wijnweger.
Zie de beschrijving hiervoor.

V.    Bepaling van het sulfietgehalte.
Om tot de bepaling van het sulfietgehalte te komen kan men gebruik maken van de acidometer. Vgl. II.b.
In plaats van blauwloog gebruikt men dan een jodiumoplossing (om het vrije sulfietgehalte te bepalen).
Men vult de maatcylinder tot nul met de te onderzoeken wijn. Nu voegt men druppelsgewijs jodiumoplossing toe, terwijl men regelmatig krachtig schud. Langzaam maar zeker zal de kleur van de wijn blauw worden. Nu kijkt u op de maatcylinder hoeveel jodiumoplossing u hebt toegevoegd. Het verkregen getal vermenigvuldigt u met 10 en dat is het getal van het sulfietgehalte uitgedrukt in mg per liter wijn.

In deze les zijn diverse meetinstrumenten nader toegelicht.
Uit het geheel moge blijken dat de hydrometer het meest onmisbare instrument is voor een amateur wijnmaker.
U dient als amateur voor uzelf die instrumenten aan te schaffen waarmee u prettig en adequaat kunt werken.
De meeste meetinstrumenten zijn van glas, dus een voorzichtige hantering is zeer raadzaam om breuk te voorkomen.